Regel 25 Abnormale terreinomstandigheden, bal ingebed en verkeerde green
25-1. Abnormale terreinomstandigheden
Er is sprake van belemmering door een abnormale terreinomstandigheid wanneer een bal in een dergelijke omstandigheid ligt of deze raakt, of wanneer een dergelijke omstandigheid een belemmering vormt voor de stand van de speler of de ruimte voor zijn voorgenomen swing. Indien de bal van de speler op de green ligt, is er ook sprake van belemmering wanneer een abnormale terreinomstandigheid op de green zich op de puttinglijn van de speler bevindt.
Behalve wanneer de bal in een waterhindernis of een laterale waterhindernis is, mag een speler de belemmering door een abnormale terreinomstandigheid als volgt ontwijken:
Door de baan: Indien de bal door de baan ligt, moet de speler de bal opnemen en zonder straf droppen binnen een stoklengte van en niet dichter bij de hole dan het dichtstbijzijnde punt zonder belemmering.
(ii) In een bunker: Indien de bal in een bunker ligt, moet de speler de bal opnemen en droppen:
(a) zonder straf, in de bunker.
(b) met één strafslag buiten de bunker, waarbij hij het punt waar de bal lag op een rechte lijn moet houden tussen de hole en de plek waar de bal wordt gedropt, zonder beperking van de afstand waarop de bal achter de bunker mag worden gedropt.
(iii) Op de green: Indien de bal op de green ligt, moet de speler de bal opnemen en zonder straf plaatsen. Het dichtstbijzijnde punt zonder belemmering kan buiten de green zijn.
Bal in abnormale terreinomstandigheid niet gevonden
Kunt u de bal die met zekerheid in de abnormale terreinomstandigheid ligt niet vinden, dan moet u het punt bepalen waar de bal de abnormale terreinomstandigheid kruiste. De speler moet bij het kruispunt het dichtstbijzijnde punt bepalen waar de abnormale terreinomstandigheid volledig wordt ontweken en een bal droppen binnen een stoklengte van dat punt, niet dichter bij de hole.
25-2. Bal ingebed
Op elk kort gemaaid gedeelte door de baan mag een bal die in de grond is ingebed in zijn eigen pitchmark, zonder straf worden opgenomen, schoongemaakt en gedropt zo dicht mogelijk bij de plek
waar hij lag, maar niet dichter bij de hole. “Kort gemaaid gedeelte” betekent elk deel van de
baan, met inbegrip van paden door de rough, gemaaid op fairwayhoogte of lager.
25-3. Verkeerde green
a. Belemmering
Er is sprake van belemmering door een verkeerde green wanneer de bal op een verkeerde green ligt. Er is op zichzelf geen sprake van belemmering volgens deze Regel wanneer de stand van de speler of de ruimte voor zijn voorgenomen swing belemmerd wordt door de verkeerde green.
b. Ontwijken van de belemmeringIndien de bal op een verkeerde green ligt, mag de speler de bal niet
spelen zoals hij ligt. Hij moet de belemmering zonder straf als volgt ontwijken:
De speler moet de bal opnemen en droppen binnen een stoklengte van en niet dichter bij de hole dan het dichtstbijzijnde punt zonder belemmering. Het dichtstbijzijnde punt zonder belemmering mag niet
in een hindernis of op een green zijn. De bal mag worden schoongemaakt wanneer hij volgens deze Regel is opgenomen.